Interview met
Peter Swinnen en Sven Gatz
Dinsdag 30 januari 2007
Afgenomen door
Geert Antonissen en Jan Pille.
Beelden 51N4E en Peter Swinnen
Website Johan Basiliades
Stadslucht Maakt Vrij
is een initiatief van
Sven Gatz (Brussel)
Sas van Rouveroij (Gent)
Christian Leysen (Antwerpen)

Waarom linken een liberaal politicus en een jonge, succesvolle architect zich aan elkaar?

Peter : Sven is naar ons gekomen met de vraag om een Brussels debat op te starten. Voor ons verschilt dit amper van andere architecturale of stedenbouwkundige vragen die we krijgen. Als het ons intrigeert en zinvol lijkt, zijn we potentieel bereid tot samenwerking. Vandaar dit gesprek.

Sven : Eigenlijk moet je onze samenwerking als een tijdelijk bondgenootschap bekijken. Voor mij is dat comfortabel. Ik heb als liefhebber een mening over de stad en zijn architectuur, maar het helpt als iemand met een zekere professioneel inzicht klankbord wil zijn. Het belangrijkste is dat we samen het debat rond stedelijke ontwikkeling en architectuur in Brussel in beweging krijgen. Als ik kijk naar de projecten van 51N4E, als Lamot in Mechelen of de toren in Tirana, dan zijn dat zaken die naadloos in mijn liefhebbersvisie passen.

Jullie maken dezelfde analyse: op het vlak van hedendaagse architectuur heeft Brussel weinig te bieden. Het laatste bouwwerk dat nog echt relevant is, is het atomium. Een constructie die bijna een halve eeuw oud is.

Sven : Inderdaad. Het atomium luidde toen de moderniteit in. Nu zie ik het atomium wel graag, maar dat is niet iets waar ik mij in mijn huidige identiteit mee verzoen. Dat ligt achter ons.

Peter : Het gaat voor mij niet enkel om hedendaagse iconografische architectuur (architectuur die bepalend is voor een stadsbeeld, NVDR). Hoewel Brussel daar zeker nood aan heeft. Het succesverhaal van een stad is voor mij niet alleen afhankelijk van nieuwigheden, maar ook van de omgang met de geschiedenis. Je moet de schat die je hebt koesteren. Dat wil ik naast een pleidooi voor hedendaagse en ambitieuze architectuur toch ook even in de verf zetten. Je merkt dat vooral recente geschiedenis moeilijk op fascinatie van de politiek of een groot publiek kan rekenen. Het is een platgetreden pad, dat besef ik, maar de Rogiertoren, het Rijksadministratief Centrum of de Lottotoren zijn en blijven schrijnende voorbeelden van hoe het niet moet.
Stuk voor stuk zijn deze interessante case studies geamputeerd of gesneuveld door een ad hoc beleid. In de plaats is er een nieuwe middelmatigheid gekomen die niemand lijkt te deren maar zeker geen hoge ogen gooit. Daarenboven hebben de respectievelijke buurten waarin deze projecten stonden weinig baat ondervonden bij de nieuwe interventies. Dat is misschien nog het meest schrijnende.

Sven : Brussel heeft vanuit historisch oogpunt inderdaad heel wat troeven. Neem nu de Grote Markt. Volgens toeristen – en dus niet enkel volgens Brusselaars – is dat één van de mooiste stedelijke plekken ter wereld. Maar men heeft er te weinig mee gedaan. Door de sanering van de Zenne en de Noord-Zuid verbinding is die hele site van de Grote Markt geïsoleerd geworden. Zo heb je in Brussel nog heel wat leuke dingen, maar ze zijn zelden in een visie ingebed. Het blijven afgezonderde eilandjes.

Is er dan helemaal geen plan of structuur aanwezig in Brussel?

Peter : Dat is er wel degelijk. We hebben dat in grote mate aan Leopold II te danken. De structuur van de stad zoals we die vandaag kennen, is nog altijd bepaald door zijn acties. Ook al zijn Leopolds plannen niet helemaal uitgevoerd, de stukken die dat wel zijn blijken straf genoeg om een coherentie en een schaal aan de stad te geven. Het maakt van Brussel tot op zekere hoogte een leesbare stad. Misschien kijken architecten en planologen anders naar een stad dan de gemiddelde burger, maar ik vind het wel belangrijk dat je in een stad een bepaalde structuur kan vinden.

Sven : Leopold II was natuurlijk wel een zeer autoritair figuur met heel wat duistere kantjes. Zijn stedelijke ingrepen zijn voor Brussel inderdaad nog steeds een zegen, maar het autoritair machtsmodel dat hij hanteerde om deze ingrepen te realiseren, is vandaag uiteraard niet meer relevant.

Moeten we dan stedenbouwkundige ingrepen van deze schaal vergeten, omdat dat soort macht niet meer bestaat?

Peter : Ik ben daar niet van overtuigd. Iedereen heeft zijn verantwoordelijkheid en deel van de macht die hij kan veruitwendigen. Ik denk dat dit ook één van de redenen is waarom we hier samen zitten. We hebben een soort onderlinge drang om toch een visie en een soort macht te etaleren. Stedenbouw en architectuur schetsen een beeld van de mentale rijkdom van een maatschappij. Dat heeft voor een stuk te maken met een vorm van gezonde fierheid, en ja, ook met de drang om zich te positioneren. Zeker bij steden met een zekere historie is dat belangrijk. Ok, Leopold II was autoritair. Je kan je daar terecht ethische vragen bij stellen. Maar zijn stedenbouwkundige ingrepen zijn wel nog steeds succesvol. Het is altijd dubbel, elk succes is dat.

Sven : Ja, Leopold II was zeker ook een liefhebber van deze stad (lacht).