| |||||||
| 08-01-2010 Voorwoord
Steden zijn broeihaarden van talent en creativiteit. Ze vormen de ideale setting voor innovatieve projecten. Zo spitst het Europese stedenbeleid zich vandaag vooral toe op het stimuleren van vernieuwende initiatieven, van bestuursingrepen die afwijken van de traditionele, en op de uitwisseling van good practices. De Europese instellingen beseffen dat het aansturen van een creatieve, projectmatige aanpak van de verschillende facetten van het stedelijke beleid tot goede resultaten leidt. Door die aanpak zijn nogal wat Europese steden intussen creatieve en innoverende smeltkroezen geworden, die als motor fungeren voor de omringende regio. Steden en innovatie: twee handen op één buik. Dat was ook de boodschap van de vorige Stadslucht Maakt Vrij-boeken. Een boodschap die, moeten we vaststellen, aanslaat en navolging vindt. De traditionele Vlaamse anti-stedelijke reflex lijkt af te nemen. Mensen trekken opnieuw naar de stad en blijven er ook. Bovendien slagen de steden er in het tij van de economische en algemene teruggang, dat zo kenmerkend was voor de jaren 1980 en 1990, te keren. Steden boeken concrete resultaten. In de praktijk vinden ze oplossingen voor de maatschappelijke problemen waarmee ze, tot voor kort, werden vereenzelvigd. Steden zijn opnieuw spannend en inspirerend geworden. Dit derde Stadslucht Maakt Vrij-boek gaat, hoe kan het ook anders, weer over steden en innovatie. In het eerste boek moesten we dat punt nog nadrukkelijk aan de orde stellen. Vlaanderen hield niet van zijn steden, stelden we vast, ook al gingen er, vanaf de jaren negentig, steeds meer overheidsmiddelen naar die steden. Dat Vlaamse stedenbeleid, vonden we, zette te sterk in op de problemen en niet op de kansen. Steden werden als een beetje zielig beschouwd. Steden waren armlastig. Steden dienden ondersteund te worden. Dat was niet de beste aanpak, argumenteerden we in dat eerste Stadslucht Maakt Vrij-boek. Steden waren doorheen de geschiedenis altijd de motor geweest van vernieuwing en creativiteit. Waarom zou dat nu anders zijn? Zouden we dat dan niet beter de inzet van stedelijk beleid maken? Zouden we niet beter proberen steden opnieuw sterk, levenskrachtig en zelfvoorzienend te maken? In het tweede boek gaven we daarvan voorbeelden. Steden, lieten we zien, zijn, veel meer dan staten, naties of regio’s, op de maat gesneden van de globaliserende wereld. Steden, beschreven we, trekken zich ook steeds minder aan van de nationale, statelijke context waarbinnen ze opereren. Steden voeren in groeiende mate zelf een internationaal beleid. Ze zijn aanwezig bij de Europese instellingen, ze werken samen over staatsgrenzen heen, ze vormen groeipolen met naburige steden in andere landen, ze experimenteren met nieuwe samenwerkingsverbanden met steden en gemeenten in het hinterland. Steden, betoogden we, vinden bijzonder goed hun weg in de complexer wordende internationale economische en politieke omgeving. Dit derde boek gaat over vitale, innovatieve steden. Omdat we niet in abstracties of vrijblijvendheid willen vervallen, hebben we ervoor gekozen om concreet drie deelgebieden te belichten waar de wisselwerking tussen stad en innovatie tot opvallende ontwikkelingen leidt. Dit impliceert natuurlijk niet dat andere deelgebieden – cultuur, zorg, interculturaliteit - minder sprekend zouden zijn. Helemaal niet. Ergens rijpt er immers al een kem van een vierde Stadslucht Maakt Vrij-boek. De saga gaat in elk geval verder… Het boek is opgebouwd uit drie delen. Het eerste deel gaat over economie en ondernemerschap. Steden voeren vandaag met elkaar een concurrentieslag, met als inzet het aantrekken van bedrijven en talenten. De uitkomst van die concurrentieslag wordt deels bepaald door dingen die steden zelf in handen hebben. Bedrijven en talenten komen nog het liefst naar steden die goed bereikbaar zijn, waar de infrastructuur van behoorlijke kwaliteit is, waar het leven aangenaam is, waar het sociale en culturele aanbod ruim is. Steden kunnen, wat dat betreft, het verschil maken. Ze kunnen zich door creatief en vernieuwend beleid onderscheiden. Overigens: creatief en vernieuwend beleid is niet anders op het niveau van de stad dan op dat van de ondernemingen, meent de Finse filosoof en kenniseconomie-onderzoeker Pekka Himanen. “Als je kijkt naar wat de succesvolste gemeenschappen karakteriseert, dan blijkt dat een cultuur van creativiteit te zijn. Ik heb die cultuur onderzocht en kom tot een drietal bouwstenen. Het fundament is een basis van vertrouwen. Daarbovenop gaat het om wat ik ‘enriching communities’ noem – een gemeenschap waarin mensen elkaar stimuleren. Zo’n gemeenschap is weer de voorwaarde en basis voor de derde bouwsteen; de creativiteit zelf” (geciteerd in Dijksterhuis, 2008). Volgens Himanen functioneren, als je ze vergelijkt, een succesvol bedrijf als Google en een succesvolle stad als Helsinki op precies dezelfde wijze. Het tweede deel gaat over logistiek en mobiliteit. Stedelijke bestuurders laten zich nogal eens gek maken. Allemaal willen ze zich, net als Bilbao, met een spraakmakend museumgebouw op de kaart zetten. Allemaal willen ze, omdat anderen dat ook doen, grote sportevenementen aantrekken of een geweldig nieuw voetbalstadion bouwen of een megaconcertgebouw optrekken. Dat heeft niet zoveel met creativiteit en vernieuwing te maken en garandeert evenmin succes. Steden, zo wordt in verschillende bijdragen geargumenteerd, zouden zich beter concentreren op die dingen waar ze zelf daadwerkelijk het verschil kunnen maken: er voor zorgen, bijvoorbeeld, dat ze bewoners en gebruikers een kwaliteitsvolle basisinfrastructuur kunnen aanbieden. Sommige steden of stadsdelen lijken zichzelf voortdurend opnieuw uit te vinden, in andere lijkt het, eens de neergang zich inzet, nooit meer iets te worden. Vaak heeft dat te maken met kwaliteitsvolle basisinfrastructuur. De Antwerpse Zuidwijk vormt daarvan een goed voorbeeld. Toen in de jaren 1970 de lokale detailhandel niet langer kon concurreren met de supermarkten en groothandelszaken buiten de stad, verpieterde de wijk. Neringdoeners trokken weg, er ontstond leegstand. Niet lang echter, omdat het om een stadsdeel ging met heel degelijke huizen, dat vlot bereikbaar was, dat niet te ver lag van het stadscentrum en dat toch ruimte en rust bood. In de kortste keren trokken jonge, minder kapitaalkrachtige, maar ondernemende mensen in de leegstaande panden in. Er ontstonden kunstgalerietjes, tweedehandszaken, er vestigden zich reclamebureau’s, kunstenaarscafés en alternatieve voedingszaakjes. De wijk leefde opnieuw op. Niet dankzij één of andere vorm van stedelijk beleid. Wel omdat de basisinfrastructuur goed zat. De buurt beschikte over een aantal troeven, op basis waarvan het stadsdeel zichzelf kon heruitvinden. Die basisinfrastructuur was er natuurlijk niet vanzelf gekomen; ze was het resultaat van oordeelkundig beleid van een vorige generatie stedelijke bestuurders. Steden kunnen, met andere woorden, het verschil maken. Ze verliezen zich best niet in onrealistische verwachtingen: creativiteit en vernieuwing kan je niet sturen. Wel kan je proberen de basiscondities te garanderen die de voorwaarde vormen voor creativiteit en vernieuwing. Een kwaliteitsvolle basisinfrastructuur – goede architectuur, degelijke stadsplanning, bruggen, wegen, pleinen, groen – hoort daarbij. Het derde deel, ten slotte, gaat over architectuur en stedelijke planning. Het Britse architectuur- en designtijdschrift Monocle publiceert jaarlijks een top-25 van de meest leefbare steden. Kenmerkend voor leefbare steden, oordeelt het tijdschrift, is dat ze ook als urban villages fungeren. Dat wil zeggen dat er wijken zijn die als gemeenschappen functioneren. Wijken die niet, zoals in de hoogdagen van de modernistische stedenbouw, monofunctioneel zijn: waar je alleen komt om te werken, te slapen of te winkelen en die de rest van de tijd dood zijn. Wijken waar je een vermenging hebt van functies: waar je in één straat kleine bedrijfjes vindt, net zoals winkels en cafés, maar waar ook nog gewoon mensen wonen. Waar je die vermenging van functies aantreft, krijg je ook wijken waarmee mensen zich verbonden voelen, waarvoor ze zorg willen dragen en zich inzetten. Een vitale stad kan altijd terugvallen op die urban villages. Zo’n stad wordt gedragen door wijken die in grote mate zelfredzaam zijn, waar je een voldoende kritische massa hebt aan bewoners en gebruikers die in staat zijn op te komen voor hun buurt, die zelf desnoods de handen uit de mouwen steken en die, als het tegenzit, voor een ommekeer kunnen zorgen. Uiteraard kan een stad niet zomaar besluiten urban villages te maken. Het is vaak makkelijker ze, door onoordeelkundig beleid, kapot te maken. Slordige stedenbouwers kunnen in geen tijd een buurt onleefbaar maken, bijvoorbeeld door onnadenkend vitale functies te ontregelen. Als je een winkelstraat onbereikbaar maakt, gaan de winkels dicht en is er ook geen passage meer. Maar ook het omgekeerde geldt: slimme steden kunnen buurten aantrekkelijker proberen te maken. Ze kunnen er bijvoorbeeld nauwlettend op toezien waar ze nieuwe winkelcomplexen, bioscopen of universiteitsgebouwen neerpoten. De wereldberoemde Gentse pionier van de biotechnologie, Marc Van Montagu, beweert in dit boek dat als de gebouwen van de universiteit zich niet in het stadscentrum hadden bevonden, hij nooit tot de onderzoeksresultaten zou zijn gekomen die hij nu bereikte. De stad leeft, daagt je uit, werkt bevruchtend. In een monofunctioneel wetenschapspark, ergens in de periferie, maak je je, als je er niet moet zijn, snel uit de voeten. Dat is het verschil met de stad. Stedelijk beleid kan dat verschil maken. Dit derde Stadslucht Maakt Vrij-boek gaat over vitale steden. Aan de grondslag ligt een specifieke visie op de stad en op stedelijk beleid. Stedelijke bestuurders moeten weten wat kan en niet kan, wat maakbaar is en wat niet. Steden krijgen vorm door de mensen die er wonen en die de stad gebruiken. Slimme stedelijke bestuurders hebben dat door. Het beleid dat ze voeren is vooral faciliterend. Ze zorgen er voor dat steden over een goede basiskwaliteit beschikken, in termen van logistiek, van infrastructuur, van architectuur, van ruimtelijke planning. Ze zorgen er voor dat steden in alle betekenissen van het woord aantrekkelijk zijn. Als die basiskwaliteit verzekerd is, volgt de rest wel. In het eerste Stadslucht Maakt Vrij-boek surften we mee op de golven die Richard Florida, de bedenker van de notie van de creatieve klasse, had gemaakt (Florida, 2002). We blijven onverkort achter dat verhaal staan, maar er is ook meer, weten we nu. Florida beweerde dat wie de creatieve klasse aantrok – modeontwerpers, filmmakers, wetenschappers, architecten, webdesigners, reclamemensen en kunstenaars – wel goed zat. Daarop moesten slimme steden dan ook inzetten: aantrekkelijk zijn voor dat slag mensen. De creatieve klasse zou zorgen voor nieuwe ideeën, nieuwe economische activiteiten, nieuwe banen, nieuwe groei. Er is natuurlijk meer. Charles Landry, één van de grote namen als het gaat over stedelijke vernieuwing, stelt dat beleidsmakers er vooral voor moeten zorgen dat iedereen meedoet (Landry 2000 en 2006, Wood en Landry, 2008). Creativiteit is, aldus Landry, niet voorbehouden aan de zogeheten creatieve klasse. “Iedereen is creatief. Gewone mensen zijn in staat tot buitengewone prestaties. De creatieve stad is beter te vergelijken met een jamsessie van jazzmusici dan met een concert van een symfonieorkest. Een orkest heeft maar één dirigent, terwijl jazz juist democratisch en spontaan is. Een stad heeft meer aan een paar duizend mensen die in welk opzicht dan ook creatief zijn, dan aan een plan waarin staat hoe de creatieve klasse gestimuleerd kan worden (geciteerd in Dijksterhuis, 2008).” Landry’s muzikale metafoor is bijzonder verhelderend. Stedelijke bestuurders dromen er nog te vaak van om de dirigent te spelen, om de stad te sturen in de banen die de bestuurders de beste lijken. Stedelijke bestuurders kunnen zich misschien beter aan jazzmuzikanten spiegelen. In de stad is het immers altijd improviseren. In de stad heb je niet zoveel aan een partituur. Belangrijker is, om nog even in de muzikale sfeer te blijven, dat mensen kunnen meespelen, dat er instrumenten voorhanden zijn en dat er ook goed muziekonderwijs wordt geboden, zodat mensen die instrumenten daadwerkelijk leren bespelen. Welk wijsje er vervolgens wordt gespeeld bepalen die mensen zelf wel, in onderling overleg. Te bestellen via www.vubpress.be en in de betere boekhandel
|
|||||||
|
|||||||