| |||||||
| 29-06-2007 The State of the City. The City Is the State.
Ook dit boek vertrekt van een aantal standpunten en daaraan gekoppelde vraagstellingen. De titel vormt het prikkelende vertrekpunt. Ze suggereert dat in een geglobaliseerde wereld steden en niet langer staten de belangrijkste spelers zullen worden. Een suggestie die u best met de nodige korrel zout neemt, maar toch niet zonder grond is. Wereldwijd wonen steeds meer mensen in een stad of stedelijke omgeving en al die steden vormen vandaag een netwerk waarvan de dynamiserende kracht toeneemt. Die stedelijke vertakkingen spelen een belangrijke rol en in elk deel van dit boek wordt die rol vanuit verschillende oogpunten bekeken. Sommige teksten geven eerder een analyse van de huidige tendensen, anderen wagen zich meer aan mogelijke evoluties. Wat we volgens de initiatiefnemers van dit boek goed moeten beseffen, is dat we naast de verdere ontwikkeling van het lokaal stedelijk beleid dat in het eerste boek aan bod kwam, ook nood hebben aan een duidelijke en ambitieuze internationale visie. Het één hangt vast aan het andere en mits een goed onderbouwde link tussen lokaal en globaal stedelijk denken, kunnen we er in slagen om tot een evenwicht te komen waarbij onze steden én aangenaam om leven blijven én zich tegelijkertijd op een boeiende manier internationaal kunnen positioneren. Kort samengevat reikt dit boek dus een aantal analyses aan over de huidige en toekomstige rol van steden en wordt er nagedacht over de houding die wij met onze steden in dit verhaal vanuit een brede liberale visie kunnen aannemen. Een visie die zorg draagt voor de stad en open is naar de buitenwereld toe. In het eerste deel kijken de verschillende bijdragen naar het belang van de internationale handel- en dienstverlening. Christian Vandermotten geeft ons een overzicht van de impact van de wereldwijde handel en dienstverlening op de Europese steden. Zoals anderen in dit boek stelt hij dat die impact nieuwe administratieve kaders nodig maakt. ‘Il conviendrait de mettre les cadres administratifs en concordance avec les nouvelles réalités et dynamiques métropolitaines.’ De bijdrage van Kaï Böhme sluit hier bij aan. Böhme focust in het kader van de Europese Lissabon-agenda op de rol die steden in het ontwikkelingsproces van de Unie spelen. Een mogelijke administratieve benadering, dat van de Functional Urban Areas (FUAs), wordt in deze tekst toegelicht. In het tweede deel worden een aantal politieke pistes bewandeld. Patrick Stouthuysen en Johan Basiliades staan stil bij de consequenties van het nieuwe stedelijke zelfbewustzijn. Hun stelling is duidelijk. ‘De overzichtelijke wereld van netjes van elkaar afgebakende soevereine natiestaten heeft zijn beste tijd gehad.’ De bijdrage van Kortrijks burgemeester Stefaan De Clerck beaamt deze stelling vanuit de lokale realiteit. Het Eurodistrict Kortrijk-Lille is een grensoverschrijdend project dat aantoont hoe bestuurlijke innovatie zich in deze ‘nieuwe’ wereld ontplooit. Europees commissaris Danuta Hübner geeft op haar beurt een volledig overzicht van de Europese hefbomen ten opzichte van de stad en de regio’s. Met die informatie kunnen we ons al een beeld vormen van de ontwikkelingen die we vanuit het Europees beleidsniveau mogen verwachten. Vermits stedelijke ontwikkeling niet enkel een verhaal is van ‘eerste wereldsteden’, laten we ook Koenraad Marchand aan het woord. Uit ontwikkelingssamenwerking kan je leren en met die kennis helpen we niet enkel ver afgelegen steden uit de derde wereld, maar trekken onze steden en gemeenten lessen die ook hier hun nut bewijzen. Tot slot van dit deel verdiept Sven Gatz zich in de titel van dit boek. Hij zet vanuit het verhaal van de Hanzesteden de basiscomponenten voor interstedelijke samenwerking op een rij en plaats deze componenten vervolgens binnen onze huidige realiteit. Steden zijn nooit af. Een stad zonder bouwkraan bestaat niet. Voor het derde deel vroegen we enkele auteurs om stedenbouw onder de invloed van de doorgedreven internationalisering te bekijken. André Loeckx en Bruno De Meulder geven een overzicht van de ontwikkeling van de laatste decennia. Ze vertellen het verhaal van enkele grote Europese steden en de paradigma’s die daaruit voort kwamen. Vervolgens bekijken ze het effect daarvan op de ruimtelijke ontwikkeling van de Vlaamse steden. Ook Anke Vos en Sofie Bullynck doen dit vanuit hun werkzaamheden bij het team van de Vlaamse bouwmeester. Zij maken dezelfde bedenking als in de bijdrage van Vandermotten. ’Er is weinig politiek draagvlak om in Vlaanderen in te zetten op de ontwikkeling van metropolen op de schaal van de stadsregio.’: zeggen ze in hun besluit. Eén van de meest kritische bijdragen in dit boek, komt van de hand van Erik Swyngedouw. Naast de kansen die grote stedelijke projecten ons bieden, wijst hij ook op de zwakke punten van deze grootschalige projecten en het mogelijk democratisch deficit die ze in zich dragen. Zeker, de globalisatie met al haar dynamische krachten is geen onverdeeld positief verhaal. Deel IV bestaat uit drie interviews en een bijdrage van Sas van Rouveroij die terugkijkt op zes boeiende jaren als schepen voor cultuur in Gent. In die rol heeft hij kunnen ervaren hoe kunst en kunstprojecten een stad, al was het maar even, de kans geeft boven zichzelf uit te stijgen. Voor de interviews trokken Jan Pille en Patrick Stouthuysen met een pakket aan vragen naar respectievelijk Rudi Laermans en Pascal Gielen, Rik Pinxten & Bart De Baere. Wat ook hier opvalt is dat al deze heren, elke vanuit hun eigen visie en verschillende achtergrond, wijzen op het gebrek aan internationale reflexen in het Vlaams stedelijke landschap. De kaart van de beeldende kunsten, de internationaal toegankelijke kunstvorm bij uitstek, wordt onvoldoende getrokken. Nochtans hebben we op dat vlak een rijke geschiedenis en lopen er voldoende talenten rond om hier voluit voor te gaan. Vlaanderen is te veel in zichzelf gekeerd en zou zijn blik best wat mogen verruimen. Om onder meer dit te bereiken pleiten ze voor een gezond netwerk tussen onze steden. Dat netwerk moet voor meer complementariteit zorgen in plaats van de concurrentie die op dit moment vaak een internationale dimensie in de weg staat. Gielen en Laermans pleiten voor een prioriteitenbeleid, Pinxten nodigt ons uit om op een grotere schaal te denken en De Baere wijst ons er zacht op dat we wel een goed leven hebben, maar geen (ambitieus) project. Het boek eindigt met een concept dat ook al in het eerste boek aan bod kwam: The Brussels Butterfly. Hiermee geven Geert Antonissen en Jan Pille een werkbare aanzet voor wat een metropolis denken in het kader van de Vlaamse steden en Brussel kan betekenen. Brussel straalt over de hele wereld uit. Deze uitstraling biedt de Vlaamse steden vele kansen. Het concept van The Brussels Butterfly is alvast een poging om die kansen ten volle te benutten zonder daarom de Vlaamse steden door onze de Europese hoofdstad te laten versmachten. “The State of the City. The City Is the State” is een boek dat doet nadenken over de stad als knooppunt in een wereldwijd netwerk dat de natiestaat overstijgt. Die denkoefening is nodig in een verstedelijkte samenleving die haar open en dynamisch karakter wil behouden en verder wil uitbouwen. De initiatiefnemers van Stadslucht Maakt Vrij benadrukken met dit boek deze wil tot openheid en hopen hiermee het internationaal perspectief binnen te brengen in de stedelijke debatten die ongetwijfeld volgen. Sven Gatz Patrick Stouthuysen (ed.)
.
|
|||||||
|
|||||||