|
Vlaanderen
mentaal verstedelijken
www.liberales.be
- november 2004
I.
Kanaries uit de koolmijnen
Elk jaar in mei trekt er een kleurrijke stoet door Brussel:
de gay-pride. De steun van de Vlaamse liberalen aan de Gay-pride zou je
eenvoudig kunnen verklaren door te stellen dat de VLD hier tegen bepaalde
vormen van discriminatie en uitsluiting opkomt: de Vlaamse liberalen hebben
trouwens mee een voortrekkersrol gespeeld in het goedkeuren van het homohuwelijk
in het parlement. Toch houdt die liberale steun meer in. Het staat voor
een bepaalde mentaliteit.
De Amerikaanse socioloog Richard Florida haalde de wereldpers met zijn
verhaal over de link tussen een bloeiende gay-scene en economisch succes
van een stad. Homo’s zijn de spreekwoordelijke kanaries uit de koolmijnen.
Kompels daalden de mijn in met een kanarie die hen tijdig kon waarschuwen
voor geurloos maar uiterst gevaarlijk mijngas. Uit statistisch onderzoek
concludeerde de socioloog dat een actieve gay-scene in een stad de meest
betrouwbare voorspeller is voor komend economisch succes, betrouwbaarder
dan alle traditionele voorspellers zoals investeringsgraad, R&D-parken,
infrastructuur … Zijn homo’s dan ondernemend? Niet meer of
minder dan heteroseksuelen.
Grote homo-gemeenschappen tref je wel aan in tolerante steden. Creatieve
mensen, met een open geest, willen in een tolerante stad leven en werken.
Het zijn creatieve mensen die over talent en kennis beschikken. Het zijn
ook zij die nieuwe technologieën genereren. Bedrijven in de nieuwe
economische sectoren zijn voortdurend op zoek naar die innovaties, naar
nieuwe technologieën. Een groeiend aantal bedrijven in nieuwe economische
sectoren gaan zich steeds minder gaan vestigen daar waar de loonlasten
laag zijn, daar waar er gunstige fiscale voordelen zijn voor investeringen,
maar wel daar waar ze het voornaamste kapitaal voor hun bedrijf vinden:
talentvolle werknemers die nieuwe technologieën uitwerken.
Vlaanderen zal nooit de concurrentieslag winnen in de loonlasten. Voormalig
minister-president Bart Somers benadrukte in zijn septemberverklaring
dat we onmogelijk kunnen concurreren met het salaris voor een ingenieur
in één of ander Aziatisch land. Vlaanderen kan wel nog op
de trein van de creatieve economie springen. Dit is echter ook een concurrentieverhaal:
welke steden zijn internationaal het aantrekkelijkst voor talent? Dit
hoeven geen megapolissen te zijn als New-York, Londen of Parijs. Richard
Florida geeft de voorbeelden van Austin in Texas of Dublin in Ierland
aan. Het gaat om steden die “in” zijn, waar een bloeiend cultureel
leven is, een goede muziekscène, een aangenaam en hip uitgaansleven…
en vooral tolerante steden die vlot omgaan met diversiteit, zowel homo’s
als immigranten.
II.
De Urban Renaissance
Het verhaal van Florida steunt op vier elementen: Tolerantie, Talent,
Technologie en de Stad. Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De
klassieke ondernemerswereld is al langer overtuigd dat investeren in talent
en technologie een must zijn. Het VEV gaf vijf jaar terug het belang van
verdraagzaamheid al aan voor economisch succes van een regio. Enkel een
vooruitstrevende visie op de rol van de Vlaamse steden lijkt afwezig.
Maar de realiteit wacht niet op het beleid. Ook in Vlaanderen, net als
in de hele westerse wereld, is er een stedelijke renaissance aan de gang.
Steden als Antwerpen, Gent en Brussel kennen een nieuwe spontane dynamiek.
Tot kort na de tweede wereldoorlog was de welvaart en de economische ontwikkeling
in de steden gesitueerd. Wie zijn boterham goed wilde verdienen, verhuisde
dus om die reden naar de stad. Aan dit éénrichtingsverkeer
is pas een einde gekomen in de jaren '60. Hier waren voornamelijk twee
redenen voor. De eerste - de belangrijkste - was de revolutionaire evolutie
in de mobiliteit: de gemiddelde Belg kon zich makkelijker een auto aanschaffen.
Gebeurde het vervoer tot enkele jaren na WO II nog meestal gemeenschappelijk
(bus, tram, trein), dan veranderde dit snel na de expo van 1958. Het vooruitgangsdenken
was legio. De auto als individueel vervoersmiddel paste daar uitstekend
in. Wie een auto bezat hoefde dus niet meer te wonen waar hij werkte.
Het verkavelen van Vlaanderen tot in de verste uithoeken kon beginnen.
Een tweede reden van de stadsvlucht werd onrechtstreeks door de eerste
in de hand gewerkt: meer auto's in de stad, grote infrastructuurwerken
om koning auto tot diep in het centrum te laten doordringen. Dit alles
werd dan nog vermengd met speculatieve leegstand, kaalslag en stadsverloedering
en zo had de stedeling nog een reden meer om de stad te verlaten. Dit
proces is al ruim dertig jaar aan de gang en het is nog steeds niet zeker
dat het vandaag voorbij is.
In ieder geval zien steden als Brussel, Antwerpen en Gent dat er opnieuw
behoorlijk wat nieuw bloed naar de stad komt. Enerzijds heeft men een
grote groep allochtonen die in belangrijke mate de autochtone "stadsvluchtelingen"
vervangen hebben. Anderzijds is er sprake van wat men in wetenschappelijke
literatuur "gentrification" noemt. Dit is de vervanging van
bewoners van een wijk, in oudere stadsdelen, door meer kapitaalkrachtige
inwijkelingen. De nieuwe stedelingen, zowel de allochtone groep als de
relatief welstellende inwijkelingen hebben, naast vele verschillen, één
ding gemeen: de multiculturaliteit. De aanwezigheid van allochtonen is
juist de reden waarom we sedert een tiental jaren over de multiculturele
maatschappij spreken. De gentrification-immigranten komen juist naar de
stad o.m. omdat zij graag in een multiculturele omgeving willen wonen.
Het is m.a.w. een bewuste keuze. Ze zoeken een tolerante en open omgeving
op. En hiermee verschillen ze grondig van diegenen die de stad ontvlucht
zijn. Het is zeker zo dat zij die uit de stad weggetrokken zijn dit wellicht
om een amalgaam van zeer uiteenlopende redenen gedaan hebben, maar evenzeer
is het zonneklaar dat velen onder hen de wijk genomen hebben omdat hun
stad hen te multicultureel geworden is (d.i. een eufemisme).
De nieuwe inwijkelingen hebben een heel nieuw ontspanningsleven
uit de grond gestampt. Het uitgaansleven, cafés, restaurants en
clubs, schieten als paddestoelen uit de grond. Het cultureel aanbod trekt
weer aan. Er komen winkels die op dit publiek inspelen, mode design, …
. Industriële panden in verloren gewaande buurten worden opgekocht
als woonlofts ingericht. Kleine bedrijfjes in de creatieve economische
sector vestigen zich in het centrum van de stad, mode, reclame, communicatie,
design, IT, … Het stedelijk pessimisme van de jaren ’80 en
’90, waar de stad synoniem stond met achterstelling, integratieproblemen,
criminaliteit heeft bij nieuwe inwoners plaats gemaakt voor een stedelijk
optimisme. De stedelijke renaissance is een feit.
III.
Naar een liberaal stedelijk beleid
De politiek kan hier op toekijken. Dit is een spontane dynamiek die we
internationaal vaststellen. Die nieuwe stedelingen vinden wel zelf hun
weg en voor de rest laisser faire en laisser aller.
Anderzijds kan je het bestaande stedenbeleid verder zetten. Hoe meer de
steden in financiële ademnood kwamen door de uittocht van haar middenklasse,
en hoe meer de stad met “stedelijke problemen” te kampen had,
hoe meer er een steunbeleid t.a.v. de steden werd opgezet. Programma’s
voor achtergestelde wijken, voor achtergestelde groepen. Honderden vzw’s
zijn in onze steden actief in sociaal oplapwerk. Nu we de nieuwe mogelijkheden
zien groeien, beginnen een aantal liberalen in te zien dat dit niet de
juiste ingesteldheid is voor een stedenbeleid. De visie is hier nog steeds
die van de stadsvlucht: “de overheid moet de problemen van de stad
beheersbaar houden!” . Liberalen willen daarentegen een beleid dat
inspeelt op de nieuwe kansen.
Als liberale politici uit Antwerpen, Gent en Brussel wilden dit over een
andere boeg gooien. We zijn samen gaan zitten en hebben het project “stadslucht
maakt vrij” opgestart (www.stadsluchtmaaktvrij.be). Het begrip komt
uit middeleeuwse stadskeuren. Duizend jaar geleden dwongen stedelingen
in Vlaanderen medebestuur af van hun feodale vorsten. Wie binnen de stadsmuren
woonde was een vrij man en onderworpen aan de humane en vooruitstrevend
wetgeving. De steden waren de bron van welvaart, handel, creativiteit,
prille democratie en beschaving. Ze vormden als het ware de voedingsbodem
voor een liberale state of mind. Het parallel met de huidige stedelijke
heropleving leek ons voor de hand liggend. De stad moet de motor zijn
voor welvaart en democratie in gans Vlaanderen. Onze steden mogen niet
langer als probleemgevallen benaderd worden maar wel als een onmisbare
schakel voor de Vlaamse welvaart.
IV.
Vlaanderen verstedelijken
We zeggen wel eens smalend dat Vlaanderen nog steeds onder de kerktoren
leeft. Landelijk Vlaanderen zou het maatschappelijk en politiek discours
domineren. Dit klopt niet volledig. Met de stadsvlucht is er een nieuw
Vlaanderen ontstaan: verkaveld Vlaanderen. Wie de middelen heeft, en dat
waren steeds meer Vlamingen, ging wonen buiten de kern, in verkavelde
wijken tot ver buiten de stad. Deze verkavelde Vlamingen houden er een
ambigue houding t.a.v. de steden op na: uit tal van onderzoeken blijkt
dat ze de steden eerder als een noodzakelijk kwaad beschouwen, waar ze
wel gaan werken of uitzonderlijk eens gaan winkelen, maar hen in grote
lijnen als bedreigend ervaren (zeker als het over de grotere steden gaat).
Vlaanderen verstedelijken moet dus zowel de reële verstedelijking
als de perceptie van de steden aanpakken. De basis voor de huidige fiscaliteit
is ontstaan in een periode dat de nood aan verstedelijking niet bestond.
We kunnen het vergelijken met de fiscaliteit op de gezinnen: die was ook
ontstaan in een periode dat trouwen de regel was. De CD&V meerderheden
zagen het als evident om gezinnen met één verdiener te bevoordelen.
Dit paste in het toenmalig rolpatroon waar de vrouw thuis bleef, maar
dit benadeelde fiscaal de tweeverdieners. Vanaf de jaren ’70 nam
het fenomeen van ongehuwd samenwonen toe en nam ook het éénverdienersmodel
af. Plots bleek de oude fiscaliteit niet meer zo rechtvaardig: samenwonenden
werden fiscaal bevoordeeld en gehuwde tweeverdieners benadeeld. De liberale
regering heeft deze ongelijkheid rechtgetrokken en aan de huidige normen
aangepast.
De situatie t.a.v. de steden is vergelijkbaar. In 1971 was het gemiddeld
belastbaar inkomen van de Brusselaar 139% van het Belgisch gemiddelde.
In Sint-Pieters-Woluwe was dit zelfs 206%. In 1998 was het gemiddeld Brussels
belastbaar inkomen nog maar 91,3% van het Belgisch gemiddelde. Een gemeente
als Sint-Joost-ten-Noode zag haar gemiddeld belastbaar inkomen per inwoner
zelfs dalen van 106% naar 48.2% tussen 1971 en 1998. De kadastrale Inkomens
zijn echter dezelfde gebleven. Ze liggen veel hoger in de steden dan in
verkaveld Vlaanderen. Al is het gemiddeld inkomen van de stedeling fors
gedaald, hij betaalt verhoudingsgewijs nog steeds meer onroerende voorheffing
(berekend op het Kadastraal Inkomen). Daarbovenop werden er tal van fiscale
voordelen uitgewerkt om de bouw te stimuleren tussen 1970 en 2000. Nieuwbouw
is geen stedelijk maar een landelijk fenomeen. Ook deze voordelen gingen
aan de stedelingen voorbij. De fiscaliteit bevorderde de stadsvlucht.
Er is inderdaad een trend naar nieuwe inwijking van jonge mensen in de
steden. Statistieken bevestigen dit: het immigratiesaldo voor Brussel
is positief voor de leeftijd groep 20 tot 24-jarigen (6.018 nieuwkomers
tussen ’88 en 93). Tussen 25 en 29 jaar is het plots weer negatief
(-4527) en voor de groep 30 tot 34 jaar en kinderen tussen 0 en 4 jaar
(hun kinderen dus) is het respectievelijk -10948 en –12053. Dit
zijn de twee grootste categorieën uitwijkelingen. Eens de nieuwkomers
denken aan een huis kopen en aan comfort en dus ruimte voor de kinderen,
denken ze ook aan de stad te verlaten. Net op het ogenblik dat deze groep
qua belastingen voor de stad interessant wordt, trekken ze weg.
Op korte termijn willen wij nochtans die keuze keren. Een goed voorstel
is om Vlamingen die naar de stad verhuizen geen registratierechten moeten
betalen op de aankoop van een woning en daarbovenop de eerste drie jaar
geen onroerende voorheffing moeten betalen. Dit is een drastische ingreep
om de trend stadsvlucht onmiddellijk te keren en de dynamiek van stadsvernieuwing
te ondersteunen.
Op langere termijn zijn er meer structurele fiscale maatregelen nodig.
Een goed uitgangspunt zou zijn om naast de geschatte waarde van een eigendom
voor de fiscus (wat het nu KI is), ook meer en meer rekening te houden
met een soort geschatte maatschappelijke kost van een eigendom voor de
fiscus. Dit criterium kan het best berekend worden aan de hand van de
bevolkingsdichtheid. Hoe dichter bevolkt een gemeente, hoe lager de kost
voor de staat is inzake algemene dienstverlening en infrastructuur (scholen,
ziekenhuizen, huisvuilophaling, postbedeling, openbaar vervoer, wegen,
riolering, bibliotheken, …). Wij stellen voor om een coëfficiënt
bevolkingsdichtheid te bepalen en die af te trekken van de registratierechten
bij aankoop, van de onroerende voorheffing en van de personen- en vennootschappenbelasting.
Terecht hebben we in België in de afgelopen decennia en verregaande
staatshervorming doorgevoerd met eigen financiële middelen voor de
regio’s. Dit kwam tegemoet aan een duidelijke evolutie naar meer
Vlaamse zelfstandigheid. Maar in heel de federale structuur hebben we
die andere evolutie, de stadsvlucht en het verminderend financieel draagvlak
van de steden uit het oog verloren. Vandaag stellen we vast dat steden
een essentiële rol spelen in de welvaartcreatie. Het is dan ook hoogtijd
om een grootstedelijke staatshervorming door te voeren. Steden als Brussel,
Antwerpen, Gent en Luik moeten omgevormd worden tot stadsgewesten los
van de provincies. Ze moeten een eigen financiering krijgen.
De fiscale voorstellen op basis van de bevolkingsdichtheid zullen uiteraard
voelbaar zijn voor die dichtbevolkte gemeenten. De gemeenten worden grotendeels
gefinancierd door de onroerende voorheffing. Het terugverdieneffect van
deze maatregelen alleen zal niet volstaan om dat verlies te compenseren.
Om de stedelijke gemeenten financieel te compenseren dient zowel de financieringswet
als het gemeentedecreet gewijzigd te worden, als ook de personenbelasting
aangepast. De meest voor de hand liggende regel is hier de bevolkingsdichtheidcoëfficiënt
omgekeerd toe te passen en extra middelen aan dichtbevolkte gemeenten
toe te kennen in de in het gemeentedecreet, en aan stadsgewesten in de
financieringswet. Daarbovenop lijkt het ons ook rechtvaardig om een deel
van de personenbelasting te betalen in de gemeente waar men werkt.
Met deze voorstellen voor fiscale en institutionele hervormingen menen
wij enkel een scheeftrekking uit het verleden recht te zetten. De fiscaliteit
moet aan de huidige realiteit worden aangepast. Dit zouden duidelijke
stimuli zijn om de reeds bestaande trend naar de stad aan te moedigen.
Maar het promoten van de stadscultuur in Vlaanderen houdt meer in dan
wonen en ondernemen in de stad fiscaal aantrekkelijk te maken. Vlamingen
moeten ook “mentaal” verstedelijken. Verkaveld Vlaanderen
zal niet plots van de dag op de andere massaal naar de stad verhuizen.
De stad blijft alsnog beladen met grote vooroordelen bij de Vlaming onder
de kerktoren en de Vlaming in de landelijke woonwijk. Onbekend is onbemind.
Een beeldvormingsbeleid rond de stad is een minder tastbaar beleid dan
een fiscaal beleid, maar het is al even onmisbaar. Via het verder uitbreiden
van betrouwbare kinderopvang, ontspanningsmogelijkheden en groen in de
steden moeten we de stad als biotoop om kinderen te laten opgroeien bevorderen.
Daarnaast moeten we ook de niet in de stad wonende Vlamingen overtuigen
de stad te gebruiken voor inkopen, cultuur, ontspanning … Een stad
is ook maar leefbaar als ze haar centrumfunctie naar de rand kan vervullen.
Stadsklassen in het onderwijs, naast de bosklassen, promotionele acties
zoals de “Thuis in de stad” campagne, stedelijkheid in fictie
en non-fictieprogramma’s op TV (de serie Flikken in Gent, Heterdaad
in Brussel, …), … kunnen hier alvast een bijdrage toe leveren.
Wat meer Vlaamse Sex and the City!
V.
Vlaamse steden in de Europese mobiliteit
De aantrekkelijkheid van onze grootsteden moeten we zeker niet alleen
in een Vlaamse of zelfs Belgische context zien. Steden zijn een bron van
welvaart voor een regio of land. Maar niet alle steden zijn dat. Enkel
de meest tolerante en open steden trekken talentvolle inwijkelingen aan
en zijn een goede biotoop voor creativiteit. Het is een beetje als de
wet van de jungle: hoe aantrekkelijker de stad, hoe groter de kans op
succes. Richard Florida deed zijn statistisch onderzoek op basis van de
steden in de VS. Het is in Amerika vrij eenvoudig om van de westkust naar
San Francisco of Austin te verhuizen. Ze hebben er een lange traditie
van interne mobiliteit. In Europa ligt dit vooralsnog anders. De vele
taal-, cultuur, en landsgrenzen hebben een mobiliteit van personen op
grote schaal altijd tegengehouden. Nochtans is Europa het kader waarbinnen
we de concurrentie tussen steden zullen moeten plaatsen. De Europese Unie
moedigt steeds meer mobiliteit aan, ze promoot dit actief en vroeg of
laat zal die mentaliteit kenteren. Het is belangrijk dat onze Vlaamse
steden op dat ogenblik met naam en faam op de Europese kaart staan als
places to be.
Een stadscultuur in Vlaanderen promoten is daartoe essentieel. Maar deze
trend plaatst Vlaanderen, net als een regio als Catalonië trouwens,
voor een extra uitdaging: hoe een beleid gericht op het beschermen van
de eigen cultuur (wat de motor achter het Vlaamse autonomiestreven was)
verzoenen met een open beleid naar nieuwkomers uit heel Europa en ver
daarbuiten? We kunnen niet wachten om hier over na te denken. Net als
Québec binnen Canada, moeten we in Vlaanderen streven naar eigen
immigratiebevoegdheden. Niet om de immigratie tegen te houden, maar om
een immigratiepolitiek te voeren die snelle taalverwerving aanmoedigt.
We moeten een taalbeleid in het openbaar leven koppelen aan laagdrempelige
incentives om de taal te verwerven. De Vlaming moet meertalig zijn, maar
de immigranten moeten ook het voordeel van het Nederlands aanvoelen om
hier te integreren. En ook hier net als bij het mentaal verstedelijken
van Vlaanderen is de voornaamste hervorming niet tastbaar: de Vlaming
moet een geest van openheid t.a.v. de nieuwe immigranten aannemen. Het
ergste wat Vlaanderen kan overkomen is een angstige repli sur soi in onze
steden.
Deze uitdaging zullen we moeten meten. Het komend decennium
2016 moet het Vlaams Blok dat symbool staat voor het angstige Vlaanderen
tot een ver verleden behoren. Nu reeds zijn onze steden in Europa “befaamd”
voor de grote aantallen extreem-rechtse kiezers. Vlaanderen haalt het
BBC-nieuws met de gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen. Dit komt allerminst
het imago van de Vlaamse steden als open steden tegemoet. Als liberaal
zien we het electoraal terugdringen van het Vlaams Blok niet enkel als
een principiële kwestie, maar ook als een absolute noodzaak om de
sfeer van tolerantie te schappen waar onze steden nood aan hebben om economisch
welvarend te zijn in de komende decennia.
VI.
Kansen en emancipatie
Het verhaal van de stedelijke renaissance klinkt als een opgefokt positivo-verhaal.
Het baadt in optimisme: we beginnen met een kleurrijke Gay-pride, met
welstelende nieuwe en gemotiveerde stadsinwoners, we willen iedereen laten
proeven van de bevrijdende stadslucht, we roepen de Vlaming op verdraagzaam
te zijn tegen elke prijs en we geven en passant nog eens aan dat we hier
met zijn allen welvarender van zullen worden.
Dit is een wondermooi verhaal, maar ook de ideale schietschijf voor links
en rechts. Tolerant zijn betekend inderdaad nog niet dat moeilijk integreerbare
migranten plots geïntegreerd zullen zijn in onze steden. Gentrification,
het opkopen door middenklassers van woningen in kansarme wijken, maakt
de kansarmen niet minder kansarm. Het doet de prijzen stijgen en zorgt
eerder voor verdringing van armen naar concentratie in nog armere buurten.
Het is geenszins de bedoeling om deze aspecten te negeren. Integendeel.
Wij willen enkel de logica omdraaien. Vandaag merken we dat de verschillende
overheden, de stedelijke overheden inbegrepen, een beleid willen voeren
die gefixeerd is op deze problemen van achterstelling. Ze voeren een steunbeleid
naar achtergestelde wijken, ze voeren een integratiebeleid op maat van
achtergestelde groepen zoals immigranten en kansarmen. Het beleid heeft
te veel weg van een “armenbeleid”. Alle mogelijke ontwikkelingen
in het stedelijk weefsel, zoals de gentrification worden als bedreigend
tegengehouden. Slogans als “No more Yuppies please” of “Something
smells like gentrification around here” met krijt op gerenoveerde
woningen in Londense arbeiderswijken geklad, zijn hier een teken van.
De nieuwe signalen worden niet meer opgevangen en de dynamiek van de stad
voor nieuwe bewoners en nieuwe ondernemers wordt afgeremd.
“Een beleid voor de armen is een arm beleid” is een bekend
gezegde in politieke middens. Wij willen die logica omdraaien en een stadsbeleid
voeren dat ruimte laat voor de nieuwe dynamiek en in tweede fase sociaal
inspeelt op de gevolgen van deze nieuwe dynamiek. Gentrification is een
goede zaak voor de steden. Het is een teken van heropleving. Het klassiek
sociaal huisvestingsbeleid moet zich hier aan aanpassen. Gerichte sociale
woningen in bepaalde wijken, huursubsidies en aankooppremies naar inkomen
en naar specifieke wijken kunnen ook bijdragen tot vermenging. Huisvestingsmaatschappijen
zullen meer en meer met een rollend patrimonium moeten werken, woningen
aan sociale prijzen verkopen om er nieuwe te bouwen of kopen in wijken
die op dat moment een trend naar opwaardering kennen. Het doel kan dan
niet langer meer zijn zoveel mogelijk sociale woningen meestal geconcentreerd
in die wijken waar kansarmen wonen, maar vermenging van sociaal patrimonium
tussen privé-renovatie door middenklassers, inspelend op de trends
in de stad.
Ook het integratiebeleid in de steden moet de trend volgen. Richard Florida
gaf in zijn statistische analyses ook al aan dat de toenemende tolerantie
in succesvolle steden geen wondermiddel is voor integratie. Afro-amerikanen
bijvoorbeeld blijven professioneel uit de boot vallen, hoe tolerant ook
de omgeving. Een sfeer van tolerantie is essentieel, een stringent integratiebeleid
van de overheid is dat ook. De nieuwe economische activiteiten en de nieuwe
sfeer in de stad zijn bovendien veeleisend voor de mensen, zowel professioneel
als sociaal.
Wij pleiten dan ook om het huidig integratiebeleid dat veelal steunt op
opvang, jongeren van de straat houden (het wordt wel eens een knuffelbeleid
genoemd) … bij te sturen om er een emancipatiebeleid van te maken.
Het respect voor de culturele eigenheid en de vrijheid om die te beleven
moet samen gaan met integratie in onze westerse maatschappij. Individuele
emancipatie aanmoedigen, immigranten aansporen om ook wat culturele eigenheid
op te offeren om in de mainstream op te gaan, worden nog te veel als een
taboe gezien, terwijl het de beste kansen zijn die men immigranten kan
aanbieden om weerbaar te zijn in de moderne stad. Individuele emancipatie
is net als het nieuw huisvestingsbeleid zoals hierboven geschetst een
uitweg uit de concentratiewijken, uit de getto’s.
Of moeten we ons neerleggen bij getto’s en ze enkel beheersbaar
houden en toekijken hoe jongeren uit onmacht daar een eigen subcultuur
ontwikkelen? Heeft de liberale Vlaming jarenlang gevochten tegen die kenmerken
van de verzuiling, de kerk, de normen en waarden van conservatief Vlaanderen
die de individuele emancipatie belemmeren, om niet hetzelfde te durven
voorstellen t.a.v. de culturen van de immigranten? Als we ervoor pleiten
dat vrijgevochten inwoners van de steden, gesymboliseerd in een provocatieve
Gay-pride, de beste troef zijn voor stedelijke herleving en economische
welvaart, waarom zouden we die lijn niet doortrekken naar alle stedelingen
en dus ook de migranten?
Als liberalen geloven in de toekomst van de Vlaamse steden en de stadscultuur
in Vlaanderen willen bevorderen tegen dat in 2016 één van
die steden de Olympische spelen zal ontvangen, dan moeten ze in eerste
plaats liberaal durven zijn.
Christian Leysen, Antwerps ondernemer en politicus
Sas
van Rouveroij, eerste schepen in Gent
Sven
Gatz, Vlaams Parlementslid uit Brussel
Met dank aan Johan Basiliades voor input
voor dit artikel
[forum]
[terug naar Startpagina]
|